Zo voer je de upright row gecontroleerd uit
Met de upright row train je je schouders en bovenrug door een gewicht dicht langs je lichaam omhoog te trekken. In deze gids lees je hoe je de oefening uitvoert, welke fouten vaak voorkomen en hoe je de oefening eenvoudig aanpast.
Wat houdt de upright row in?
De upright row is een staande trekoefening die je meestal met dumbbells, een halterstang of een kabel uitvoert. Je trekt het gewicht voor je lichaam omhoog, terwijl je ellebogen naar buiten bewegen. Je schouders en bovenrug doen het meeste werk; je handen houden vooral contact met het gewicht.

Je hoeft het gewicht niet tot bij je kin te trekken. Voor veel sporters voelt het natuurlijker om te stoppen ter hoogte van de onderkant van de borst of wanneer de bovenarmen ongeveer op schouderhoogte zijn. Hoe ver je comfortabel kunt bewegen, hangt af van je lichaamsbouw, grip en schoudermobiliteit.
- Sta rechtop met het gewicht voor je bovenbenen.
- Gebruik een bovenhandse grip en houd je handen ontspannen maar stevig om het gewicht.
- Houd het gewicht dicht bij je lichaam terwijl je het omhoogtrekt.
- Leid de beweging met je ellebogen, niet met je handen.
Neem de startpositie in
Sta met je voeten stevig op de grond en houd het gewicht voor je bovenbenen. Houd je knieën licht gebogen in plaats van ze op slot te zetten. Houd je ribben boven je bekken, zonder achterover te leunen.

Kies een grip waarmee je je armen comfortabel kunt bewegen. Een grip op schouderbreedte is een goed uitgangspunt, maar iets verder uit elkaar kan prettiger voelen. Span je romp licht aan voordat je tilt en houd je schouders laag, weg van je oren.
- Zet je hele voet op de grond.
- Kijk recht vooruit en houd je nek in een neutrale positie.
- Houd het gewicht vast met rechte polsen.
- Begin met je armen gestrekt, maar zet ze niet geforceerd op slot.
- Kies een gewicht dat je kunt bewegen zonder te zwaaien.
Voer de upright row stap voor stap uit
Adem in en stabiliseer je lichaam voordat je aan de herhaling begint. Trek het gewicht langs de voorkant van je lichaam omhoog en laat je ellebogen naar buiten en omhoog bewegen. Houd je romp stil, zodat je schouders en bovenrug de beweging maken.

Stop op een hoogte die comfortabel voelt, of zodra het lastig wordt om je houding vast te houden. Pauzeer kort zonder het gewicht hoger op te trekken door je schouders op te halen. Laat het langzaam zakken naar de startpositie en neem je houding opnieuw aan voordat je aan de volgende herhaling begint.
Zowel de opwaartse als de neerwaartse beweging hoort gecontroleerd te zijn. Als het gewicht van je lichaam af beweegt of je lichaam begint te schommelen, verlaag dan het gewicht of beëindig de set. Het aantal herhalingen hangt af van je ervaring, doel en verdere trainingsprogramma.
- Span je romp aan voordat je trekt.
- Leid de beweging omhoog met je ellebogen.
- Houd het gewicht dicht bij je romp.
- Stop binnen een comfortabele bewegingsuitslag.
- Laat het gewicht gecontroleerd zakken.
Vermijd de meest voorkomende fouten
Met een zwaar gewicht kan de upright row veranderen in een zwaaibeweging met je hele lichaam. Door je knieën te buigen en te strekken of achterover te leunen, geef je het gewicht vaart, maar verlies je controle. Met een lichter gewicht kun je de beweging meestal beter gericht uitvoeren.

Een andere veelgemaakte fout is het gewicht zo hoog mogelijk trekken, ongeacht hoe dat voelt. Hoger trekken maakt de oefening niet automatisch nuttiger. Stop voordat je schouders naar voren rollen, je polsen sterk buigen of de beweging beklemd aanvoelt.
Let op de positie van je handen en ellebogen ten opzichte van elkaar. Je ellebogen sturen de trekbeweging, maar hoeven niet ver boven je schouders uit te komen. Houd je polsen ongeveer in lijn met je onderarmen en laat het gewicht niet aan gebogen polsen hangen.
- Laat het gewicht niet tegen je bovenbenen opveren.
- Leun niet achterover om de trekbeweging af te maken.
- Duw je ellebogen niet hoger dan comfortabel voelt.
- Laat het gewicht niet ver van je lichaam af bewegen.
- Haast je niet bij het laten zakken.
Kies een variant die bij je past
Met dumbbells kan elke arm zijn eigen bewegingsbaan volgen. Daardoor beperkt de gripbreedte je minder. Met een halterstang liggen je handen op een vaste plek, terwijl een kabel tijdens de hele beweging een constante weerstand geeft. De beste optie is de variant die je gecontroleerd kunt uitvoeren zonder je bewegingsuitslag te forceren.
Je kunt ook een bredere grip gebruiken of de trekbeweging lager laten eindigen. Dat zijn aanpassingen van dezelfde oefening, geen teken dat een herhaling niet af is. Blijft de beweging oncomfortabel nadat je het gewicht, je grip en de hoogte hebt aangepast, kies dan een andere gecontroleerde oefening voor je schouders of bovenrug.
Neem upright rows op in je programma als ze daar goed bij passen. Gebruik vermoeidheid niet als reden om de techniek af te raffelen, zeker niet tegen het einde van een training. Noteer het materiaal, het gewicht en het punt waarop je comfortabel stopt, zodat je de volgende keer dezelfde opstelling kunt gebruiken.
- Dumbbells voor een onafhankelijke bewegingsbaan per arm.
- Een halterstang voor een vaste grip met twee handen.
- Een kabel voor weerstand tijdens de hele beweging.
- Een bredere grip voor een andere armpositie.
- Een lager eindpunt voor een kleinere bewegingsuitslag.